Zo krijg je locaties van anderen én je GPX-route in Google Maps

De gemiddelde wielrenner zal deze explainer niet vaak nodig hebben. Want wanneer rijden wij, als gewone huis-tuin-en-keuken-wielrenners op de racefiets met een ploegleiderswagen achter ons over een vooraf uitgestippelde route die niet met pijlen is uitgezet? Niet vaak. Maar toch is het handig, leuk én nerderig tegelijk om uit te leggen hoe je in één app of website de locaties van alle renners, volgauto’s én route kan zien.

Renners en hun ploegleidersbus

Nou hoor ik jullie denken: maar Martijn, waarom heb je dit in hemelsnaam nodig? Nou dat zal ik jullie kort uitleggen. Tijdens de komende editie van The Longest Day (mijn jaarlijkse fietstocht van +/- 400 km) wordt het pelotonnetje gevolgd door meerdere voertuigen die niet continu achter de renners zullen rijden. Meerdere voertuigen? Jazeker, dat is echt ergens voor nodig, maar die uitleg volgt later in een andere post.

Wil je de verslagen van The Longest Day van 2017, 2018 of 2019 lezen? Dat kan. Gratis!

Het delen van waar iedereen zich bevindt, kan uiteraard met WhatsApp. Dat programma heeft immers een functie waarin zeer nauwkeurig de locatie kan worden gedeeld en uitgelezen. Handig en zeer accuraat, maar dan heb voor het uitlezen van de route, die je als GPX-bestand hebt opgeslagen, nog een andere app nodig. En de hele tijd heen en weer switchen tussen twee apps, is vervelend en onnauwkeurig.

De oplossing? Google Maps. Het is niet zo gemakkelijk zoals al veel van hun andere apps, maar het werkt! Download allereerst de route die je samen met je vrienden gaat rijden, zorg ervoor dat je er bij het exporteren een GPX-bestand van maakt. Ga vervolgens – dit alles werkt vooralsnog het makkelijkst als je achter een computer zit, op een telefoon is het wat ingewikkeld – naar mymaps.google.com.

Links bovenin heb je een klein menuutje waar je in het blauw ‘import’ ziet staan. Daar upload je het GPX-bestand, dat je vervolgens geplot op de kaart ziet. Geef het project links bovenin vervolgens een logische naam. Belangrijk hierbij is wel dat je ingelogd bent met een Gmail-account.

Nu kan de route gedeeld worden met iedereen die de route nodig heeft; de voertuigen en de renners. Dat gaat – goh! – via de knop ‘share’ . Je kan ervoor kiezen om deze kaart te delen met individuele e-mailadressen, of je zet de toegang op ‘anyone who has the link can view’. Voordeel is dat je op die manier alleen maar een link hoeft rond te sturen of in een WhatsApp-groep hoeft te delen. Zolang deze link niet gedeeld wordt met de grote boze buitenwereld, hoef je niet bang te zijn dat derden meekijken. 

Op de andere devices moet de link worden geopend, naar alle waarschijnlijkheid gebeurt dat in een browservenster als Safari of Chrome. Je ziet de route nu op de kaart verschijnen. Zaak is om dan rechts bovenin te klikken om zodoende in te loggen op Google. Doe dat met je eigen account. Na het inloggen zal de app van je browser naar Google Maps schakelen, zorg ervoor dat je dit programma dus wel hebt geïnstalleerd. In Google Maps moet je je live locatie aanzetten, dat gaat via het menu en spreekt eigenlijk voor zich. Je deelt je locatie alleen met degenen die je locatie hoeven te zien en je zet een limiet op tot wanneer je telefoon gevolgd kan worden. Dit herhaal je op alle andere apparaten die meegaan met of de auto’s of met het pelotonnetje.

Als je je locatie hebt gedeeld met degenen die het nodig hebben, tik je onderin Google Maps vervolgens op ‘Saved’, bovenin swipe je opzij tot je ‘Maps’ ziet. Dit staat in hetzelfde rijtje als ‘Reservations’. Daar selecteer je de gedeelde route en voilà, je ziet direct ook alle andere icoontjes op de kaart. Dat zijn de locaties van de anderen die ook hun locatie hebben gedeeld voor deze ene dag.

Grote voordeel van dit alles: de volgauto’s die regelmatig het parcours moeten verlaten omdat ze bijvoorbeeld niet over het fietspad mogen rijden, zien de route én de locatie van het peloton in één oogopslag. Dat geldt ook voor de meerijdende fotograaf die af en toe een stuk vooruit rijdt omdat hij verder op het parcours foto’s wil gaan maken van het aanstormende peloton; ook hij heeft alles in één app onder de knop.

Locatie delen is hier minder nodig

Als laatste nog drie dingen: je zal soms merken dat de blauwe lijn die de route aangeeft, af en toe van het beeld verdwijnt. Oplossing is dan even in- of uit te zoomen, de kaart zal dan weer verschijnen. Ten tweede is het meenemen van een extra batterij voor de telefoon handig, het delen van je locatie kost veel energie. In de auto’s is een tablet (eventueel met een telefoon als hotspot) op de accu uiteraard een oplossing.

Ten slotte misschien wel de meest belangrijke mededeling: zet locatiedeling na deze dag op álle apps uit, doe dit ook in de settings van de app. Je wilt niet dat Google je voor de rest van je leven blijft volgen. Want met deze settings doen ze dat ook als de de app op de achtergrond hebt draaien. Nóg beter is: maak gewoon nieuwe, tijdelijke Gmail-accounts, die je alleen voor deze dag gebruikt.

Er zullen ongetwijfeld minder omslachtige oplossingen zijn. Maprogress is bijvoorbeeld een bedrijfje dat zich hierin heeft gespecialiseerd en hiervoor een app heeft ontwikkeld. Maar daaraan zijn – uiteraard – kosten verbonden. Mochten er lezers zijn die andere, praktische oplossingen hebben, dan hoor ik het graag. Laat je reactie dan vooral achter op deze site.

De ideale set-up voor Zwift? Dit is die van mij

Natuurlijk rijden we allemaal het liefst onze rondjes op Zwift zoals Mathieu van der Poel dat doet in de reclame: in een volledig witte ruimte waarin de screenplay met vierendertig (ironie-alert!) om hem heen wordt geprojecteerd. De meesten van ons normale stervelingen hebben hun set-up ergens in het laatst overgebleven hoekje van het huis neergezet, de laptop half leunend op een vensterbank en het zweethanddoekje hangend aan een poppenwagen waar je dochter al jaren niet meer mee speelt.

Zwiften in 2015. Laptop staat onhandig ver weg op stoel en alles moet na afloop opgeruimd.

Bij mij is het niet anders. Ik rijd mijn virtuele rondjes op Zwift (en FulGaz, probeer dat vooral ook!) in het hoekje van de schuur. Waar ik enkele jaren geleden nog zeeën van ruimte had, staat het fiets-territorium de laatste tijd ernstig onder de druk van speelgoed, statafels en andere fietsen. Daarbij komt ook nog eens dat als ik virtueel mijn rondjes wil gaan rijden, ik in mijn wielerbroek en zweetshirtje door de winterse kou en/of regen heen moet. De heenweg valt nog wel mee. Maar de terugweg na een uurtje workout voelt door al die bezwete kleding aan als de poolexpeditie van Scott en Amundsen. Tot zover de categorie groot leed in de bijzaken van het leven.

Mijn Zwift-territorium wordt anno 2020 ernstig bedreigd.

Maar daar wilde ik het eigenlijk niet over hebben. Ik wilde jullie kort uitleggen wat mijns inziens de beste set-up voor het indoorfietsen is. En nee, dat is niet de goedkoopste, dat geef ik gerief toe, maar dit is zeker ook niet de duurste. In de loop der jaren (ik zat voor het eerst op Zwift in de zomer van 2015) is deze set-up nogal uitgebreid. Waar ik begon met mijn laptop op een kratje bier, zijn beide voorwerpen inmiddels niet meer nodig en vervangen door wat hippere en praktischere goederen.

Mijn huidige set-up:

  • Wahoo Kickr
  • Wahoo Kickr Climb
  • Groot televisiescherm
  • Standaard voor televisiescherm
  • AppleTV 4K
  • Ventilator
  • Afstandsbediening voor stopcontact
  • Hartslag- en cadansmeter (ANT+ / bluetooth)
  • NPE Cable
  • Telefoon met Zwift Companion app
  • Fiets (niet geheel onbelangrijk)

Tot anderhalf jaar geleden nam ik elke keer mijn laptop en oplader onder mijn arm mee naar de schuur. Die oplader was noodzakelijk, want de Zwift-app vreet onwijs veel stroom. En ik hoef jullie niet te vertellen wat er gebeurt als je vlak voor het verbreken van een PR ineens met een lege batterij komt te zitten. Dat gesleep was ik op het hoogtepunt van mijn Zwift-leven (in de winter drie keer in de week) een beetje zat dat ik een AppleTV 4K heb gekocht en aan het scherm gekoppeld. Geen gedoe met snoeren, maar een dedicated stuk hardware waarop Zwift en andere fiets-apps prima draaien.

Toen ik de sprint aantrok voor ene Mark Cavendish

Het verbinden van de Wahoo Kickr naar de AppleTV gaat via bluetooth en ik kan me niet herinneren dat ik daar iets voor heb hoeven doen; dat ging volledig automatisch. Waar ik wel tegenaan liep – en nu wordt het een beetje nerderig – waren mijn cadans- (ANT+ én bluetooth) en hartslagmeter (alleen ANT+). Aangezien de AppleTV alleen via bluetooth communiceert, leek mijn hartslagmeter aan vervanging toe. Als ik dat had gedaan, had ik echter in totaal met drie bluetooth-apparaten (Kickr, cadans en hartslagmeter) te maken gehad en dát gaat om onverklaarbare redenen niet bij de AppleTV.  Dat apparaat kan slechts twee externe bluetooth-signalen aan.

Gameplay van FulGaz, met deze app rij je over ‘echte’ wegen

En dat is waar de Cable van NPE om de hoek komt kijken. Dat is een zeer handig apparaatje dat twee ANT+-signalen kan omvormen tot één bluetooth-signaal. Het apparaatje, niet groter dan een USB-stick, gaat aan door er twee keer op te tikken met je vinger en ‘programmeer’ je eenmalig via je telefoon. Vervolgens vangt de Cable de twee ANT+-signalen van zowel je cadans- als je hartslagmeter op en zendt het ingepakt als één bluetooth-signaal weer uit. Dat wordt vervolgens opgevangen door de AppleTV en door Zwift weer uitgepakt. En voilà, bij het opstarten van Zwift zie je keurig dat alle drie de apparaten verbonden zijn en je tijdens het trappen keurig je wattage, cadans en hartslag in het beeld ziet staan.

Voor mijn set-up onmisbaar: de Cable.

De slimmeriken onder jullie hoor ik nu denken: en die Kickr Climb, hoe praat die dan met Zwift? Daar hebben ze bij Wahoo gelukkig iets slims op gevonden. Dat signaal loopt via de Kickr naar de Kickr Climb en gaat zonder enige vertraging. Gaat het op je virtuele rondje ineens bergop? Dan zal je Climb meteen het stijgingspercentage overnemen, je stuur komt hoger van de grond en geeft je zo het gevoel dat je echt een berg op rijdt. De weerstand van vliegwiel – terugschakelen hallo! – doet immers de rest.

Ventilator? Hoeft van mij niet altijd ingeschakeld te zijn en juist daarom is het handig dat je dat apparaat vanaf de fiets aan en uit kan zetten. Een afstandsbedieningssetje van de Action, waarmee je ook bijvoorbeeld je lampen in de woonkamer kan regelen, voor een euro of 8. Kind kan de was doen.

Een glimlach na een uur zweten, want voldoening geeft het absoluut.

De laatste details? Een plankje aan de muur om je telefoon op te leggen inclusief een oplader, is erg handig. Via de Companion-app van Zwift stuur je berichtjes naar andere fietsers en benut je power-ups. Een snoertje richting de schuur-stereo is ook handig, zo draai je je eigen muziek tijdens het fietsen.

That’s it. Dit is hoe mijn set-up in de loop der jaren is gegroeid en uitgebreid. En oh ironie, het aantal afgelegde kilometers stond deze winter tot gisteren nog op nul! Maar daar is, ook vanwege dit stukje, verandering in gekomen. Voor de koudere wintermaanden blijft Zwift ideaal. Als het vroeg donker en vaak slecht weer is, kan je toch aan je kilometers komen. Al moet ik eerlijk toegeven dat ik na vier winters virtueel fietsen in oktober van vorig jaar de voorkeur heb gegeven aan buiten blijven fietsen en veel woon-werkkilometers af te gaan leggen op mijn veldrijfiets.

Hoe ik van minder eten en meer fietsen nogal gelukkig werd

Het zijn van die dingen waarvan je je afvraagt waarom je er eigenlijk niet veel eerder mee bent begonnen. Maar afgelopen najaar was ik het eigenlijk een beetje zat. Sinds 2009 fiets ik gemiddeld vijf- tot zesduizend kilometer per jaar en eet daarnaast eigenlijk gewoon alles wat los en vast zit. Uit beide dingen haal ik veel genoegdoening; mijn conditie is prima in orde én ik kan – omdat ik door het vele fietsen niet tonnetje rond word – mooi genieten van alle broodjes kroket, gevulde koeken, blikjes cola en boterhammen met kaas voor het slapen gaan. Om over de Westvleterens, Mooie Nel IPA, Westmalle Tripel en de bijbehorende Provençaalse borrelnoten maar te zwijgen.

Mei 2018, bijna thuis na Rondje IJsselmeer.

Jarenlang sta ik niet op de weegschaal. En als ik er dan toch eens op ga staan, blijft de meter hangen bij 94 kilo. Als je rondfietst op het vlakke merk je daar weinig van en als er gesprint moet worden valt het allemaal ook wel mee. Maar zodra de Nederlandse grens gepasseerd wordt en het landschap ineens bergen gaat vertonen, wordt het voor mij ineens een ander verhaal. Waar vrienden van mij al kletsend naar boven kunnen rijden als we weer een paar dagen in Calpe op ’trainingskamp’ zijn, moet ik echt volle bak rijden om ze enigszins bij te kunnen houden.

Zoals gezegd, jaren gaat dat prima. Zelfs als ik in de zomer van 2018 een wielershirt moet terugsturen naar de fabrikant: XL is te klein, ik moet een XXL hebben. Toegegeven, de (veel te dure, maar o zo mooie) shirts van Pas Normal Studios vallen echt bizar klein, want van alle andere merken pas ik prima in een XL. Pas Normal stuurt keurig een XXL terug, maar zelfs die is veel te klein. Ik voel me als Peter Beense in een tutuutje. Het Michelinmannetje-shirt belandt aan een hangertje in de kast en is er sindsdien nog maar één keertje uitgekomen, maar daarover later meer.

Eind april 2019 gaat de knop voor het eerst een beetje om en begin ik langzamerhand eens na te denken over dat gefietst van mij. Als ik het straks in Toscane – lang leve de zomervakantie – een beetje fatsoenlijk de bergen over wil, moet er toch eens een keer wat veranderen. Ik besluit om – als het kan – eigenlijk altijd op de fiets naar het werk te gaan. Vijftien kilometer heen, vijftien kilometer terug. En als het even kan met een lusje heen en/of terug. Over de hei van Hilversum en door de bossen van Baarn en Soest. Je kan het slechter treffen, woonwerktechnisch.

Een nare blessure en bijbehorende operaties gooien in mei en juni roet in het eten. Ik kan 45 dagen niet fietsen, moet een streep zetten door mijn grote liefde The Longest Day en fiets tijdens de Tour de France voorzichtig weer een beetje in de rondte. Als het rond Colmar een beetje bergop gaat, zie ik vriend en collega Herman van der Zandt als een stipje aan de horizon verdwijnen. Conditie prut, gewicht nog steeds rond die 94 kilo en achterin de NOS-Toyota een koelkast vol met Lagunitas, Leffe Blond en Westvleteren.

Lachen lukte nog net, bergop in Colmar

In Toscane rijdt ik als een natte krant de Monte Serra op. Ik zie mijn tellertje af en toe onder de zes kilometer per uur schieten. De ene na de andere fluo Italo rijdt mij dansend voorbij. En hoewel ik met die lokale vedergewichten nooit zal kunnen (en willen) concurreren, is het toch de rit die definitief het roer omgooit. Ná de vakantie ga ik aan de slag: minder eten en drinken en het fietsen naar werk pak ik na een valse start weer op.

Door mijn werk en interesse in de wereld van de topsport, heb ik veel gehoord en gelezen over de problemen die er in deze wereld zijn met gewichtsverlies bij topsporters. En hoewel ik mij in de verste verte niet wil meten met het niveau en de prestaties van deze atleten, besluit ik toch om eens langs te gaan bij een diëtist. Het lijkt me verstandig om me eerst te laten informeren over wat verstandig is en wat niet. Want ik ken mijzelf een beetje: ik ben het type dat van de een op de andere dag overgaat op een regime van water en stengels bleekselderij om er na twee dagen achter te komen dat je je daarvan doodongelukkig voelt, knetterhonger krijgt, bloedchagrijnig wordt en duizelig in je bed ligt.

De woonwerkroute

De kennis en hulp bij het Sport Medisch Centrum in Amersfoort is vakkundig en laagdrempelig. Diëtiste Celine neemt in het eerste gesprek alle tijd. Ze wil alles van mij weten: hoe ik eet, wat ik eet, waarom ik dat doe, wanneer ik dat doe, hoeveel ik fiets, hoe ik train, wat ik doe na het trainen, waarom ik gewicht wil verliezen en hoeveel ik dan wil verliezen. Na ongeveer anderhalf uur sta ik buiten. In mijn hand een printje van de slimme weegschaal. Mijn gewicht is 94,7 kilo. Met een lengte van 1,97 meter (Vansummeren-style!) betekent dat een Body Mass Index (BMI) van 24,4. Dat is net onder de grens van 25. Daarboven heb je – op papier – overgewicht.

In mijn mailbox vind ik een dag later een uitgebreide handleiding voor mijn nieuwe eetpatroon. Vrij overzichtelijk en absoluut geen ingewikkelde recepten. Ik begin met een bak flinke kwark met wat muesli, eet tussendoor een stuk fruit, lunch met twee volkoren boterhammen of crackers, een soep en wat rauwkost of een omelet met veel groente. ’s Avonds kan ik dan gewoon warm eten, al is het devies om niet te veel koolhydraten te nuttigen. Dus vis of vlees met veel groenten en easy on de pasta, aardappels en rijst.

Zondagochtendrit met vrienden van RTV Tempo

De eerste dagen vallen me zwaar. Ik zit af te tellen naar de tussendoortjes. Als ik rond half elf aan mijn appel mag beginnen, eet ik het gehele klokhuis erbij op. En als Nieuwsuur begint, eet ik één voor één de 25 gram ongezouten nootjes op. Het is een wereld van verschil met ‘vroeger’. Toen ging er halverwege de ochtend een gevulde koek in, bestond de lunch minimaal uit een kroket of frikadel en liep ik ’s middags twee keer naar de koelkast voor een blikje échte cola. Taart van jarige collega’s sloeg ik nooit over, graag nog een tweede ‘stukje voor de smaak’ om thuis aangekomen een biertje en bij het eten een glas wijn te drinken. Dit eetpatroon was een gewoonte voor mij geworden. Ik voelde me er lange tijd prima bij. Want zo’n toastje met brie en chutney op een doordeweekse avond; waarom zou je dat nou laten staan?

Na een dikke week merk ik ineens verandering. Ineens is dat hongerige gevoel weg, zit ik niet meer naar de klok te kijken hoe lang het nog duurt tot de lunch en begin ik fitter te worden. Ik drink nog maar twee dagen in de week alcohol en merk dat ik veel beter begin te slapen. Het fietsen naar werk is even wennen: ik ben van deur tot deur iets langer onderweg en met een rugtas op fietsen is iets meer gedoe dan met een podcastje aan in de auto stappen. Maar het is het waard.

1100 lumen en volle bak naar huis

Een maand later het eerste weegmoment. Ik heb gevoel alsof ik een belangrijk tentamen moet maken: heb ik er wel genoeg aan gedaan en wat als ik straks een onvoldoende krijg? Ik ben bijna drie kilo kwijt, de teller stopt bij 91,9 kilo. BMI is gedaald naar 23,7. Met enige trots rijd ik met de auto naar huis om me gauw om te kleden. Snel de woonwerk-outfit aan – uiteraard bewaren we de mooie wielerkleding voor de échte vrije tijd – en met een klein omweggetje naar de redactie toe. Ik ben nog lang niet de Brice Feillu van Midden-Nederland, maar voel me goed!

Het is begin november als ik weer eens voor mijn kast met wielerspullen sta. De zomershirts moeten maar eens plaats gaan maken voor de overschoenen, wanten en lange broeken. In mijn handen het XXL-truitje van Pas Normal, also known as het Michelinmannetje-shirt. Zal ik het eens passen? Waarom ook niet. Niemand die het ziet, toch? Tot mijn grote verbazing past het! Het liefst zou ik meteen naar de schuur rennen, mijn De Rosa van zijn hanger tillen en een rondje door de polder stampen.

Woensdagmiddagcross

Terwijl mijn vetpercentage langzaam daalt, neemt ook mijn spiermassa af. En daar is mijn diëtiste bij het derde bezoek iets minder over te spreken. Ik moet ’s avonds in plaats van niks (jaja, het nootjes tellen is verleden tijd) toch een bakje kwark naar binnen wurmen. En to be honest, dat lukt vaker niet dan wel. Het voelt als opstaan met sushi, het smaakt als een lik sambal over je appeltaart, het is alsof je een scheut fristi door een goed glas whiskey gooit.

Met name in de tweede helft van december laat ik de teugels even vieren. Voor mijn gevoel zit ik weinig op de fiets, maar dankzij een rondje Markermeer op Derde Kerstdag zet ik toch een persoonlijk record in december neer. For what it’s worth.

201 kilometer in 7 uur en 1 minuut

Inmiddels – het is begin februari – staat de weegschaalteller op 84 kilo en heb ik een BMI van 21,6. In een maand of zes ben ik – met uitzondering van een dikke week – door gewoon ‘normaal’ te eten en ongeveer vier keer per week te woonwerkfietsen – 10 kilo kwijtgeraakt. Als ik hier in Soest en omgeving de bekende heuveltjes oprij, merk ik dat het veel en veel makkelijker gaat dan voorheen. Halverwege kan er nog een tandje bij en spring ik – als het moet – moeiteloos naar een groepje toe. Ik kan mij niet herinneren wanneer ik me zo fit heb gevoeld.

Had ik hier eerder mee moeten beginnen? Daar lijkt het – als je de eerste zin van dit stukkie leest – wel een beetje op. Maar nee, het kwam eigenlijk op het goede moment. Je moet zoiets pas in gang trekken als je er zelf klaar voor bent. Het heeft geen zin als je meer genoegen haalt uit wél een stukje taart eten dan het kunnen laten staan. Ga pas overstag als je een doel hebt, als je weet waar je het voor doet. Maar doe het wel met professionele begeleiding, die mensen hebben ervoor gestudeerd en weten hoe een lichaam werkt. Want dat is voor iedereen weer anders.

Zomeravondfietsen

Halverwege maart ga ik weer naar Calpe. De Cumbre del Sol, de Coll de Rates en de ellendige klim naar Castell de Castells. Ik ben ontzettend benieuwd naar mijn tijden vergeleken met de vorige keren. Op papier moet ik door alleen het gewichtsverlies al 1,5 kilometer per uur harder bergop rijden. We zullen zien. In ieder geval zal het kunnen dragen van dat Pas Normal-shirt mij een moraal geven van heb ik jou daar. Maar misschien wel belangrijker: ik voel me fitter en frisser dan ooit.

De kampioenstrui; gauw verbannen uit het wielrennen

Op veel plaatsen in de wereld zijn vandaag de nationale kampioenschappen wielrennen op de weg verreden. Op de finish ligt er in elk land voor de winnaar een wielershirt in de nationale kleuren klaar. Het is een van de vele tradities die het wielrennen rijk is. Maar net als bij veel andere dingen in het wielrennen moet je je afvragen of het nog wel van deze tijd is, zo’n kampioenstrui.

Jakobsen sprint naar zege (ANP)

Want die beloning, het rijden in een shirt in de kleuren van je land, dat is nogal wat voor het winnen van een wedstrijd waarvan het niveau stukken lager is dan waar de gemiddelde renner doorgaans op uitkomt. Want het is hartstikke leuk voor Fabio Jakobsen dat-ie vandaag op een saai parcours in Ede de beste is, maar hij heeft dan ook geen last van Viviani, Sagan, Kristoff, Ewan, Démare of andere sprinters van wereldklasse. Nee, dit was een sprint van een totaal ander kaliber met veel zwakkere tegenstanders. Maar met dus wel die gigantische beloning: een jaar in een speciale trui!

Nu je hier toch bent? Wist je dat ik samen met Herman van der Zandt een podcast maak? Tweewielers heet-ie. En we zijn er voor iedereen met (liefde voor) een racefiets! Je vindt ons in je favoriete podcast-store.

En dus de vraag: moet je een overwinning op het NK nog wel met zo’n trui belonen? Zo’n trui waar ook nog veel meer voordelen aan hangen dan alleen ‘de eer’. Mijn antwoord daarop is nee. Die beloning is veel en veel te groot.

Zomaar een Italiaanse kampioenstrui

Ik ga even fantaseren. Stel dat Tom Dumoulin dit jaar de Tour zou hebben gewonnen. Hij pakt in het laatste weekend de gele trui van Geraint Thomas af en draagt dat prachtige tricot slechts twee dagen. In Nederland maakt De Markt in Maastricht zich op voor een huldiging, komt Albert Heijn met gele wuppies op de proppen en gaat de NOS door met Avondetappes maken tot eind augustus.

Maar in welke trui koerst Dumoulin tijdens zijn volgende wedstrijd weer? Juist, in zijn doornormale roodwitte kloffie van Sunweb. Mooie boel, de zwaarste wielerwedstrijd ter wereld gewonnen, maar niks geen mooie trui. Ja, thuis aan de muur in een lijst, maar niks om op straat om mee te pronken.

Dumoulin, een week na het winnen van de Tour

De liefhebber zal Dumoulin langs de kant van de weg meteen herkennen. Echter, mevrouw Van Zetten uit Tiel (dank Mart voor deze uitdrukking) heeft geen idee dat daar de Tour-winnaar van 2019 langszoeft. Zij zoekt immers naar een poppetje in de gele trui. Hoe anders is de wereld van Fabio Jakobsen? Ja! Die wordt meteen herkend. Die ziet mevrouw Van Zetten al van heinde en verre aankomen. Want hij heeft op die ene middag in Ede de sprint gewonnen van Moreno Hofland en Bas van der Kooij. Arme Tom Dumoulin.

Een nationaal kampioen valt dus op. En logischerwijs is zijn marktwaarde ook beter. Niet alleen wordt hij op straat nagezwaaid, ook de televisiecamera weet de nationaal kampioen er feilloos uit te pikken. Dat merkt de nationaal kampioen in kwestie direct in zijn portemonnaie. De onderhandelingspositie met zijn ploeg wordt beter en na de Tour gaat het onderhandelen met de criteriums een stuk beter dan wanneer je daar als gewone sterveling had aangeklopt.

Sinkeldam ‘showt’ zijn kampioenstrui.

Hoe traditioneel de wielerwereld reageert op verandering, blijkt als Ramon Sinkeldam in 2017 van zijn werkgever zijn nieuwe nationale tricot in ontvangst mag nemen. Zijn gezicht ziet eruit als dat van een oorwurm, als hij poseert voor de camera van de persman. Op het shirt zie, als je goed kijkt, een Nederlandse vlag met de breedte van de snorharen van Ieniemienie.

De wielerfan is boos, iedereen vindt een schande en Iwan Spekenbrink is direct volksvijand nummer één. Dat de baas van Sunweb vervolgens rustig uitlegt welke gedachten daarachter zitten; wielrennen is volgens hem een teamsport, hij wil dat iedereen in zijn ploeg er daarom hetzelfde uit moet zien en dat sponsor Sunweb een boel geld op tafel legt om met hun naam in de media te verschijnen. Traditionele kampioenstruien passen niet bij die gedachten.

Daarnaast plaatst een renner zich met een ander truitje zich bewust en onbewust buiten het team. Je vormt een team, je strijdt samen voor mooie overwinningen en dan ga je je anders kleden? Stel je voor dat in de tijd van schooluniformen het sterkste jongetje uit de klas een ander jasje kreeg? En dat hij dat voor een jaar mag dragen na slechts één middag armpje drukken?

Démare en Sinkeldam op een traditionele persfoto.

Terug naar Sinkeldam. Het is toeval – of juist niet – is dat binnen een maand na het onthullen van de Ieniemienie-trui uitlekt dat Sinkeldam naar het Franse FDJ vertrekt. Ploegbaas Madiot, een nogal traditioneel type, laat zijn nationaal kampioenen in een reclameloos shirt rondrijden. Op de ploegfoto die begin 2018 de wereld in wordt gestuurd, straalt Ramon Sinkeldam van oor tot oor. Winnen doet Sinkeldam in zijn trui één keer: in zijn laatste wedstrijd, een week voor het NK van 2018, is hij de beste in Parijs-Chauny.

De nationale trui. Ik gun hem iedere renner. Het ziet er doorgaans prachtig uit en het moet een eer zijn om daar een jaar in te mogen rijden. Maar het is hopeloos ouderwets en moet op de manier waarop hij nu gedragen wordt, gauw uit het peloton worden verbannen.

The Longest Day; de Zuid-Noord-lijn

Dat er ook in 2019 een Longest Day verreden zou gaan worden, dat wisten we eigenlijk al toen we in 2018 na 440 kilometer in Vlissingen arriveerden. Het is inmiddels een traditie geworden. Weliswaar eentje waarbij je verschrikkelijk af moet zien, maar ook eentje waar elke deelnemer zich het hele jaar op verheugt. Iedereen heeft zin in die ene dag, 21 juni, waarop de zon het langste schijnt. Een dag vol bikkelen en afzien, maar ook met veel pret en geluk.

Het gevloek is dan ook groot als een chirurg van het ziekenhuis in Amersfoort op 10 mei tegen mij zegt dat ik het fietsen wel kan vergeten voor de komende vijf à zes weken. Als ik anderhalve week later ook nog eens te horen krijgt dat ik mij vooral op de Longest Day van 2020 moet richten, is de wereld even te klein. Het advies van dr. Van Olden kan ik moeilijk negeren. Hij is naast arts in Amersfoort ook de ploegarts van wielerploeg Jumbo-Visma en heeft er dus wel enig verstand van. Normaal hang ik aan de lippen bij mensen uit de wielerwereld, nu vind ik zijn verhaal verschrikkelijk.

Wil je meer The Longest Day? Dat kan! De verslagen van 2017 en 2018 staan ook online.

Ik zet voor mijzelf de deur nog op een kier. Maar als ik een week voor The Longest Day nog geen 440 centimeter kan fietsen, hak ik de knoop door. Voor mij geen mooiste wielerdag van het jaar. Althans, niet op de fiets, maar wel in de ploegleiderswagen. Chauffeur, verzorger en ploegleider ineen. Dan er in de Volkswagen Transporter van schoonvader Evert maar een mooie dag van maken en de heren coureurs maar bien soignés op pad sturen.

Het startschot valt om 04.10 uur op de Bosschstraat in Maastricht. In het halfuur daarvoor stouwt iedereen zich vol met bananen, yoghurt, reepjes en broodjes kaas. Slingerend tussen de studenten door zetten elf man koers richting het noorden, richting Winschoten. Op straat is het nog druk, veel studenten komen net de kroeg uit en beginnen spontaan te applaudisseren als er een in het wit gestoken pelotonnetje zich in gang trekt op weg naar Winschoten, 430 kilometer verderop.

Het begin is lastig, veel kronkelweggetjes in het zuiden van Limburg. En als anderhalf uur later de zon recht in het gezicht van renners en ploegleiding gaat schijnen, is het lastig om te zien waar de weg begint en ophoudt. De zon klimt gelukkig langzaam hoger aan de hemel en de wegen beginnen zich meer en meer aan de oevers van de Maas te houden. In Blitterswijck zwaaien we zogenaamd naar Wout Poels, in Afferden plakken we een band (de eerste in drie jaar!) en al gauw zijn we in Groesbeek waar we in een gastronomische hemel belanden: de ouders van Rick hebben een tafel vol met koude cola, hete koffie en gigantische stukken taart voor ons neergezet.

Iedereen voelt zich nog goed. Herman is op dat moment al tevreden met de eerste 140 kilometer. “Ik heb het hele jaar nog niet zo ver gereden”, zegt hij koeltjes. Dertig minuten later zetten elf verschillende merken frames (toch bijzonder, niet?) koers richting Millingen aan de Rijn, er wordt gereden door een prachtig natuurgebied ten zuidoosten van Nijmegen. Bossen met heuvels en prachtige polders waarvan de ploegleiding weinig meemaakt. Omdat het pontje niet toegankelijk is voor auto’s, racen wij via de snelweg richting Zeddam, voor alweer een koffie op het terras.

Oostwaarts, richting de Achterhoek. En met de wind – die inmiddels uit het westen is gaan blazen – in de rug, gaat het met een gangetje van 40 kilometer per uur naar de volgende stop: Winterswijk. In de auto worden er inmiddels wielerquizjes gespeeld, collega’s geïmiteerd en verhalen uit de oude NOS-doos gehaald. Never a dull moment als je met Han en Pascal op pad bent.

Halverwege de dag kijkt rookie Rob Harmeling nog even fit uit zijn ogen als die ochtend. Hij vindt het een ‘machtige dag’ en is blij met de honderd kilometer die hij de dag daarvoor nog heeft gereden. En dat terwijl hij ons voorafgaand in de appgroep nog bang heeft gemaakt met opmerkingen als ’trainen is voor talentlozen’. De verbazing is nog groter als Rob na dik 300 kilometer opbiecht dat zijn wekker straks om 07.00u gaat. “Even een clinic geven”, zegt hij met een grote glimlach van oor tot oor. Als hij de dag later een foto stuurt, geloven we het pas echt.

In de Achterhoek en in Twente is het prachtig fietsen. De wegen zijn goed, maar er moet vanwege het hoge bebouwdekomontwijkengehalte goed op de navigatie gekeken worden. Belangrijk is daarbij ook dat er niet per ongeluk een verkeerde afslag genomen wordt en het pelotonnetje in Duitsland belandt. Doel van deze editie is immers: zo dicht mogelijk bij de grens blijven, maar nooit erover. Eén keer gaat het mis en rijden we voor twintig meter in Duitsland. Niemand die er wakker van ligt.

In Gramsbergen worden we feestelijk onthaald. De ploegleiding regelt een half uur voor aankomst van de renners dat er een grote plaat met tosti’s klaarstaat. Zelf nemen we een tripel, een witbier en een gewone. Verschil moet er zijn, toch? De gasten op het terras wilden graag weten wat we in hemelsnaam aan het doen zijn en hoe we in Gramsbergen terechtkomen. De bediening is alleraardigst en zorgt ervoor dat we gauw weer kunnen vertrekken. Winschoten is nog 90 kilometer ver. De schaamte in de auto is dan ook groot als we er even later achterkomen dat we vergeten zijn te betalen. Langs het Coeverderkanaal scheuren we met het schaamrood op de kaken terug.

Ter Apel blijkt het langste en dunste dorp ter wereld. Althans, dat is de mening in de wagen. Aan weerszijden van het water een rij huizen en daarachter niks. Even later, in Jipsingboermussel, ploft het peloton nog eventjes neer. Cola’s verdwijnen als sneeuw voor de zon in de dorstige kelen. Sommigen vallen bijna in slaap. Maar het einde is in zicht. Winschoten doemt op aan de Groningse horizon.

Als we rond half tien aankomen in Winschoten, schiet sportfotograaf Joris Knapen zijn laatste foto’s. Hij is praktisch de gehele dag met ons meegereden en heeft onderweg de meest fraaie foto’s van ons gemaakt. “Ik had toch niets te doen vandaag”, zegt hij droogjes. Wij zijn hem eeuwig dankbaar voor hoe hij deze dag zeer professioneel heeft vastgelegd. Nadat hij onze omhelzingen heeft vastgelegd,  springt iedereen onder de douche.

Achttien bittergarnituur en veel speciaalbier later is de sfeer in de hotelbar opperbest. Zelfs de opgelopen irritaties door de eikenprocessierups kunnen het plezier niet bederven. The Longest Day 2019 was een feest, net als die van 2018 en 2017. Zelfs de plannen voor 2020 worden – eerder dan normaal – door ondergetekende ontvouwd. En hoewel iedereen doodmoe is, wordt de route met gejuich ontvangen. Ik kan niet wachten tot het zover is. Een dag in de auto is hartstikke prima en gezellig, maar ik wil het graag bij deze ene keer laten.

Grote dank aan 36 Cycling die ons voorzien heeft van shirt, broek, windjack en sokken. Dikke kudos voor Studio nulelfzeven voor het helpen bij het ontwerpen van die o zo fraaie wielerkleding. Hieperdepiep hoera voor MIR Sportsmarketing dat ons overladen heeft met reepjes, gelletjes en bidons. Props voor Hooijer Vuurwerk voor het beschikbaar stellen van zijn ploegleidersbus. Ultiem tof hoe Sjoerd voor ons een heerlijke pasta in elkaar heeft gedraaid. Als laatste een dankwoord voor de ouders van Rick in Groesbeek en Arjan en Marlies in Winterswijk voor het openstellen van hun huis voor elf hongerige en zweterige wielrenners. 

En voor de liefhebber is de route ook te downloaden.