Dirty Kanzelled, schitterende slooptocht van 320 km gravel

Ineens een appje van Stefan Bolt, ergens in mei. “Ik bedacht mij net, waarom rijd je Dirty Kanzelled niet met mij? Richting Veluwe, lekker vanuit huis, rustig tempo. En vooral adventure!” En zo kwam het dat afgelopen zaterdag mijn wekker om 04.20 ging en ik dik anderhalf uur later aan een graveltocht van 320 kilometer begon. Vanuit Naarden naar de Achterhoek en weer terug. De ene dirt road nog mooier dan de ander. Het werd een dag om nooit te vergeten.

Het was natuurlijk een uitstekend idee van de heren Laurens ten Dam en Stefan Bolt, magisch duo van de Live Slow Ride Fast-podcast: Dirty Kanza werd afgelast, hun trip naar misschien wel de mooiste gravelrace ter wereld ging niet door en dus bedachten ze hun eigen gravelfeestje en riepen anderen op dat ook te doen. De regels waren makkelijk en overzichtelijk. Bouw zelf een route van 100 of 200 mijl (160 of 320 kilometer) met zo veel mogelijk gravel, starten om 06.00u precies en bouw een feestje na afloop. Honderden renners wereldwijd (!) konden zich daar prima in vinden.

De start van Stefan en mij vindt plaats in de vesting van Naarden. Laatste gepruts aan het materiaal, mouwstukjes uit, mouwstukjes aan, nog één keer poseren voor de lens van cameraman Bruno weg zijn we. De eerste stroken gaan over voor ons bekend terrein. De prachtige gravelpaden van Huizen, Eemnes, Soest en Zeist kennen we van onze lokale rondjes. De kilometers gaan vlot, we lachen hard en veel en hebben er nog steeds erg veel zin in.

De eerste serieuze beproeving maken we mee in de afdaling van de pyramide van Austerlitz als we achter de auto van Bruno belanden. Hij volgt ons deze dag voor een heuse Dirty Kanzelled after movie en vindt het een uitstekend idee om voor wat ‘vette shots’ vlak voor ons te gaan rijden. Vanuit de kofferbak filmt hij ons terwijl zijn Ford een verschrikkelijk grote stofwolk produceert. Hartstikke lachen natuurlijk. Maar waar Stefan zich verschuilt achter zijn zonnebril (formaatje lasbril) rijd ik met mijn ogen dicht. Ik ben die ene persoon die zich zonder zonnebril op de fiets begeeft. En hoewel ik daar nu, 36 uur later, nog spijt van heb, stellen we niet teleur. Met een zicht van ongeveer een meter hopen we maar dat we veilig beneden komen, ons focussend op de remlichten van de auto. Alles voor het perfecte plaatje.

De oh’s en ah’s zijn niet van de lucht als we het Let de Stigterpad opdraaien, een prachtig weggetje over de Utrechtse Heuvelrug. Later wordt het nog mooier als we langs Leersum rijden. Rechts jong, groen graan en links een prachtige bomenrij. Zoveel mooie natuur, zo’n prachtige omgeving, zulke fijne onverharde weggetjes. “Waarom ben ik hier nog nooit eerder geweest?” vraag ik mijzelf voorzichtig af. Ik heb geen antwoord op die vraag. Dolblij ben ik wel dat ik hier nu vandaag rijd. “Mooiste dag op de fiets? Nou, hij staat zeker in de topvijf”, denk ik na een kilometer of vijftig. Die mening zal niet veranderd zijn, blijkt 270 kilometer later.

De stopjes die we maken zijn kort en bondig. We gooien snel onze windjasjes en mouwstukken in de auto (Stefan wil vast niet dat ik dit opschrijf, het is immers tegen zijn eigen regels, maar hey, het is zíjn feestje.) en we steken een extra reepje of gelletje bij ons. Het gaat een lange dag in het zadel worden. We moeten goed en veel eten. Dat houdt in: ook voer naar binnen stoppen als je geen trek hebt. Eten om het eten. Daar was ik jarenlang erg goed in, maar ik ben geen fan van wieler-eten. Maar het moet, en dus stouw ik vrolijk een bananachocofudgekoekje van 300 calorieën weg. Ik heb ze nodig, want aan het einde van de dag blijkt dat ik bijna 9.000 calorieën verbrand heb.

‘Gruppetto Goed Zo’ rijdt vrolijk verder. Zo hebben we ons voor vandaag genoemd. We zijn beiden fan van het idioom (en het vakwerk) van Mart Smeets. En met ‘goed zo’ sluit een van Nederlands beste televisiemakers vaak een gesprekje af, om een punt te zetten, om door te gaan naar het volgende onderwerp. Het gebied waar we rijden is voor mij niet nieuw, op de racefiets ben ik hier vaak geweest, maar deze gravelpaden zijn een openbaring. Prinsenveld, Groeperkade, Zwetselaarsepad, Groepsesteeg, Schaapsdrift en Zonneoordlaan. Ze klinken prachtig, bijna mooier dan de namen van de stroken uit Parijs-Roubaix. Maar met die Noord-Franse koers hebben ze wel een ding gemeen: ze maken je kapot en ze matten je af.

Op de Ginkelse heide is het afzien. Want hoewel daar een keurig geasfalteerd fietspad ligt, is de wind hier vol op kop. We doen om en om wat beurten op kop om de energie te verdelen. Ik voel even aan mijn achterrem. Ik heb het gevoel dat-ie aanloopt. Het blijkt niet zo te zijn. Met het materiaal is niks mis. Het zijn de benen die het al enigszins beginnen te voelen. Tel daarbij de licht oplopende weg en de drie Beaufort in onze snoet op en je hebt daar de reden voor het checken van de rem. Voor elke wielrenner een o zo herkenbaar ritueel. Toch?

Onderweg komen we meerdere Dirty Kanzellers tegen. Je herkent ze doorgaans meteen: tasje aan het stuur, in het frame of met achterzakken volgestopt met eten. We maken een praatje met elkaar, wisselen ervaringen uit en vertellen over de route die nog gaat volgen. Geluksvogel van de dag is deelnemer Jurrian die we treffen op een strook die meer doet denken aan het strand van Scheveningen. Hij had even daarvoor een gebroken spaak maar een fietsenmaker die nét open was, had hem binnen een kwartier weer on the road. 

© fietsbenen

Zutphen! Parel van Gelderland. Nog nooit geweest. Ik had altijd een vermoeden dat dat een een of andere Vinex-locatie zou zijn, maar dit stadje aan de IJssel is van grote schoonheid. Een centrumpje dat kan concurreren met dat van Arles, Valencia of Lucca. We worden met open armen ontvangen door slager en wielerfan Harm-Jan Hovenkamp. Hij heeft dan weliswaar geen saucijzenbroodjes waar we ons al de hele ochtend op verheugen en is hij een tikkie beledigd als ik hem vraag om pekelvlees: “dat is iets voor jullie in het westen!”, toch genieten we van zijn filet american, Biltong en diverse soorten plakjes salami. Brood, appelflappen en Zutphense walburgers halen we even verderop. This is f*cking Rock ‘n’ Roll!

We rijden richting Ruurlo over kilometers gravel. We draaien voorzichtig richting het noorden. De wind is op dat moment nog tegen. Maar we tellen af naar Kaap Spinaker, het punt waar we haaks naar links afslaan en vanaf waar we voor de rest van de dag windje-mee hebben. Een megazanderige strook zorgt ervoor dat Stefan en ik ineens honderden meters van elkaar verwijderd zijn. Ik rijd rechts door het kantje, Stefan links. “WTF. Wat rijdt hij ineens hard!”, vloek ik zachtjes. Als ik na een minuut of drie de oversteek maak naar de linkerkant, ontdek ik de reden van zijn goede rijden. Zijn gootje is veel beter te berijden! We ronden Kaap Spinaker, slingeren de zoveelste Insta Story (klik voor hip on demand videoverslag!) met slechte grappen de wereld in en rijden verder. De wind is onze nieuwe vriend.

Toch zit ik er rond een uur of 18.00u (denk ik) even flink doorheen. Want alhoewel we in het tweede deel van de route minder gravel hebben en we even het idee hebben aan Dirty N-weg deel te nemen, krijg ik het even niet meer zo soepel rond. Ik verschuil me achter Stefans ranke dijen en ter hoogte van Gorssel steken we voor de tweede keer deze dag de IJssel over. De veerman en zijn vrouw zijn uiterst aardig, praten honderduit en lijken er plezier in te hebben om twee van deze gekken die onder het stof zitten, over te zetten naar de andere oever.

Zo mooi als Zutphen is, zo verschrikkelijk is Apeldoorn. Achtziljard stoplichten, duizendmiljoen Thuisbezorgdbezorgers en drieduizend bochten. We zullen vast de verkeerde route door de stad hebben genomen, maar okay. Als we Apeldoorn uitrijden, draaien we om. Waarom? We hebben een uiterst slechte grap bedacht over de No Needle Policy, een regel in het wielrennen die renners verbied om medicatie via een naald toegediend te krijgen. En waar kan je die grap beter opnemen dan bij het Apeldoornse monument De Naald. Zelf vonden we het in ieder geval erg grappig…

Mooiste strook van de dag is absoluut die van Kroondomein Het Loo. Kilometers lang hard, mooi, fijn gemalen gravel. De zon schijnt nog en er is geen enkele andere fietser meer te bekennen. Het zal vast wel van de moeheid komen, maar ik word er emotioneel van. We rijden een beetje uit elkaar. Niet meer omdat er iemand van ons een beter gootje te pakken heeft, maar omdat we allebei even willen genieten van het moment. Wat is het hier mooi. En wat hebben we een schitterende dag. Beautiful Kanzelled had het ook kunnen heten, maar ja, dat bekt weer niet zo lekker.

Het is half negen als we bij Eemdijk op de pont een laatste blikje sinas (de cola was uitverkocht) wegtikken. Ik ben hemelsbreed misschien tien kilometer van huis, maar we rijden de andere kant op, naar Naarden, daar waar we vijftien uur geleden zijn vertrokken. Als we langs de boorden van het Gooimeer en met een een flauw avondzonnetje in ons gezicht de laatste strook van de dag pakken, is het eind in zicht. Als we even later onder luid gejuich van de Naardense hangjeugd over de finish rollen, is de pijp definitief leeg. Ik leg mijzelf languit neer op een bankje en moet echt even een paar minuten blijven liggen. Ik ben op, kapodt (sic) en moe tegelijk. Bruno maakt zijn laatste mooie foto’s en filmt zijn SD-kaartje vol.

In Huize Bolt drinken we een emmer chocomel en een steenkoude Kwaremont. Die laatste hakt er in als een malle. Ik hijs mijzelf van mijn stoel, geef Stefan een luchthug (coronaproof, yolo!) en laad mijn fiets in de auto. Dirty Kanzelled zit erop. Schitterende dag, fantastische route in uitermate fijn gezelschap. Ik had het voor geen goud willen missen.

 

De ideale set-up voor Zwift? Dit is die van mij

Natuurlijk rijden we allemaal het liefst onze rondjes op Zwift zoals Mathieu van der Poel dat doet in de reclame: in een volledig witte ruimte waarin de screenplay met vierendertig (ironie-alert!) om hem heen wordt geprojecteerd. De meesten van ons normale stervelingen hebben hun set-up ergens in het laatst overgebleven hoekje van het huis neergezet, de laptop half leunend op een vensterbank en het zweethanddoekje hangend aan een poppenwagen waar je dochter al jaren niet meer mee speelt.

Zwiften in 2015. Laptop staat onhandig ver weg op stoel en alles moet na afloop opgeruimd.

Bij mij is het niet anders. Ik rijd mijn virtuele rondjes op Zwift (en FulGaz, probeer dat vooral ook!) in het hoekje van de schuur. Waar ik enkele jaren geleden nog zeeën van ruimte had, staat het fiets-territorium de laatste tijd ernstig onder de druk van speelgoed, statafels en andere fietsen. Daarbij komt ook nog eens dat als ik virtueel mijn rondjes wil gaan rijden, ik in mijn wielerbroek en zweetshirtje door de winterse kou en/of regen heen moet. De heenweg valt nog wel mee. Maar de terugweg na een uurtje workout voelt door al die bezwete kleding aan als de poolexpeditie van Scott en Amundsen. Tot zover de categorie groot leed in de bijzaken van het leven.

Mijn Zwift-territorium wordt anno 2020 ernstig bedreigd.

Maar daar wilde ik het eigenlijk niet over hebben. Ik wilde jullie kort uitleggen wat mijns inziens de beste set-up voor het indoorfietsen is. En nee, dat is niet de goedkoopste, dat geef ik gerief toe, maar dit is zeker ook niet de duurste. In de loop der jaren (ik zat voor het eerst op Zwift in de zomer van 2015) is deze set-up nogal uitgebreid. Waar ik begon met mijn laptop op een kratje bier, zijn beide voorwerpen inmiddels niet meer nodig en vervangen door wat hippere en praktischere goederen.

Mijn huidige set-up:

  • Wahoo Kickr
  • Wahoo Kickr Climb
  • Groot televisiescherm
  • Standaard voor televisiescherm
  • AppleTV 4K
  • Ventilator
  • Afstandsbediening voor stopcontact
  • Hartslag- en cadansmeter (ANT+ / bluetooth)
  • NPE Cable
  • Telefoon met Zwift Companion app
  • Fiets (niet geheel onbelangrijk)

Tot anderhalf jaar geleden nam ik elke keer mijn laptop en oplader onder mijn arm mee naar de schuur. Die oplader was noodzakelijk, want de Zwift-app vreet onwijs veel stroom. En ik hoef jullie niet te vertellen wat er gebeurt als je vlak voor het verbreken van een PR ineens met een lege batterij komt te zitten. Dat gesleep was ik op het hoogtepunt van mijn Zwift-leven (in de winter drie keer in de week) een beetje zat dat ik een AppleTV 4K heb gekocht en aan het scherm gekoppeld. Geen gedoe met snoeren, maar een dedicated stuk hardware waarop Zwift en andere fiets-apps prima draaien.

Toen ik de sprint aantrok voor ene Mark Cavendish

Het verbinden van de Wahoo Kickr naar de AppleTV gaat via bluetooth en ik kan me niet herinneren dat ik daar iets voor heb hoeven doen; dat ging volledig automatisch. Waar ik wel tegenaan liep – en nu wordt het een beetje nerderig – waren mijn cadans- (ANT+ én bluetooth) en hartslagmeter (alleen ANT+). Aangezien de AppleTV alleen via bluetooth communiceert, leek mijn hartslagmeter aan vervanging toe. Als ik dat had gedaan, had ik echter in totaal met drie bluetooth-apparaten (Kickr, cadans en hartslagmeter) te maken gehad en dát gaat om onverklaarbare redenen niet bij de AppleTV.  Dat apparaat kan slechts twee externe bluetooth-signalen aan.

Gameplay van FulGaz, met deze app rij je over ‘echte’ wegen

En dat is waar de Cable van NPE om de hoek komt kijken. Dat is een zeer handig apparaatje dat twee ANT+-signalen kan omvormen tot één bluetooth-signaal. Het apparaatje, niet groter dan een USB-stick, gaat aan door er twee keer op te tikken met je vinger en ‘programmeer’ je eenmalig via je telefoon. Vervolgens vangt de Cable de twee ANT+-signalen van zowel je cadans- als je hartslagmeter op en zendt het ingepakt als één bluetooth-signaal weer uit. Dat wordt vervolgens opgevangen door de AppleTV en door Zwift weer uitgepakt. En voilà, bij het opstarten van Zwift zie je keurig dat alle drie de apparaten verbonden zijn en je tijdens het trappen keurig je wattage, cadans en hartslag in het beeld ziet staan.

Voor mijn set-up onmisbaar: de Cable.

De slimmeriken onder jullie hoor ik nu denken: en die Kickr Climb, hoe praat die dan met Zwift? Daar hebben ze bij Wahoo gelukkig iets slims op gevonden. Dat signaal loopt via de Kickr naar de Kickr Climb en gaat zonder enige vertraging. Gaat het op je virtuele rondje ineens bergop? Dan zal je Climb meteen het stijgingspercentage overnemen, je stuur komt hoger van de grond en geeft je zo het gevoel dat je echt een berg op rijdt. De weerstand van vliegwiel – terugschakelen hallo! – doet immers de rest.

Ventilator? Hoeft van mij niet altijd ingeschakeld te zijn en juist daarom is het handig dat je dat apparaat vanaf de fiets aan en uit kan zetten. Een afstandsbedieningssetje van de Action, waarmee je ook bijvoorbeeld je lampen in de woonkamer kan regelen, voor een euro of 8. Kind kan de was doen.

Een glimlach na een uur zweten, want voldoening geeft het absoluut.

De laatste details? Een plankje aan de muur om je telefoon op te leggen inclusief een oplader, is erg handig. Via de Companion-app van Zwift stuur je berichtjes naar andere fietsers en benut je power-ups. Een snoertje richting de schuur-stereo is ook handig, zo draai je je eigen muziek tijdens het fietsen.

That’s it. Dit is hoe mijn set-up in de loop der jaren is gegroeid en uitgebreid. En oh ironie, het aantal afgelegde kilometers stond deze winter tot gisteren nog op nul! Maar daar is, ook vanwege dit stukje, verandering in gekomen. Voor de koudere wintermaanden blijft Zwift ideaal. Als het vroeg donker en vaak slecht weer is, kan je toch aan je kilometers komen. Al moet ik eerlijk toegeven dat ik na vier winters virtueel fietsen in oktober van vorig jaar de voorkeur heb gegeven aan buiten blijven fietsen en veel woon-werkkilometers af te gaan leggen op mijn veldrijfiets.

Hoe ik van minder eten en meer fietsen nogal gelukkig werd

Het zijn van die dingen waarvan je je afvraagt waarom je er eigenlijk niet veel eerder mee bent begonnen. Maar afgelopen najaar was ik het eigenlijk een beetje zat. Sinds 2009 fiets ik gemiddeld vijf- tot zesduizend kilometer per jaar en eet daarnaast eigenlijk gewoon alles wat los en vast zit. Uit beide dingen haal ik veel genoegdoening; mijn conditie is prima in orde én ik kan – omdat ik door het vele fietsen niet tonnetje rond word – mooi genieten van alle broodjes kroket, gevulde koeken, blikjes cola en boterhammen met kaas voor het slapen gaan. Om over de Westvleterens, Mooie Nel IPA, Westmalle Tripel en de bijbehorende Provençaalse borrelnoten maar te zwijgen.

Mei 2018, bijna thuis na Rondje IJsselmeer.

Jarenlang sta ik niet op de weegschaal. En als ik er dan toch eens op ga staan, blijft de meter hangen bij 94 kilo. Als je rondfietst op het vlakke merk je daar weinig van en als er gesprint moet worden valt het allemaal ook wel mee. Maar zodra de Nederlandse grens gepasseerd wordt en het landschap ineens bergen gaat vertonen, wordt het voor mij ineens een ander verhaal. Waar vrienden van mij al kletsend naar boven kunnen rijden als we weer een paar dagen in Calpe op ‘trainingskamp’ zijn, moet ik echt volle bak rijden om ze enigszins bij te kunnen houden.

Zoals gezegd, jaren gaat dat prima. Zelfs als ik in de zomer van 2018 een wielershirt moet terugsturen naar de fabrikant: XL is te klein, ik moet een XXL hebben. Toegegeven, de (veel te dure, maar o zo mooie) shirts van Pas Normal Studios vallen echt bizar klein, want van alle andere merken pas ik prima in een XL. Pas Normal stuurt keurig een XXL terug, maar zelfs die is veel te klein. Ik voel me als Peter Beense in een tutuutje. Het Michelinmannetje-shirt belandt aan een hangertje in de kast en is er sindsdien nog maar één keertje uitgekomen, maar daarover later meer.

Eind april 2019 gaat de knop voor het eerst een beetje om en begin ik langzamerhand eens na te denken over dat gefietst van mij. Als ik het straks in Toscane – lang leve de zomervakantie – een beetje fatsoenlijk de bergen over wil, moet er toch eens een keer wat veranderen. Ik besluit om – als het kan – eigenlijk altijd op de fiets naar het werk te gaan. Vijftien kilometer heen, vijftien kilometer terug. En als het even kan met een lusje heen en/of terug. Over de hei van Hilversum en door de bossen van Baarn en Soest. Je kan het slechter treffen, woonwerktechnisch.

Een nare blessure en bijbehorende operaties gooien in mei en juni roet in het eten. Ik kan 45 dagen niet fietsen, moet een streep zetten door mijn grote liefde The Longest Day en fiets tijdens de Tour de France voorzichtig weer een beetje in de rondte. Als het rond Colmar een beetje bergop gaat, zie ik vriend en collega Herman van der Zandt als een stipje aan de horizon verdwijnen. Conditie prut, gewicht nog steeds rond die 94 kilo en achterin de NOS-Toyota een koelkast vol met Lagunitas, Leffe Blond en Westvleteren.

Lachen lukte nog net, bergop in Colmar

In Toscane rijdt ik als een natte krant de Monte Serra op. Ik zie mijn tellertje af en toe onder de zes kilometer per uur schieten. De ene na de andere fluo Italo rijdt mij dansend voorbij. En hoewel ik met die lokale vedergewichten nooit zal kunnen (en willen) concurreren, is het toch de rit die definitief het roer omgooit. Ná de vakantie ga ik aan de slag: minder eten en drinken en het fietsen naar werk pak ik na een valse start weer op.

Door mijn werk en interesse in de wereld van de topsport, heb ik veel gehoord en gelezen over de problemen die er in deze wereld zijn met gewichtsverlies bij topsporters. En hoewel ik mij in de verste verte niet wil meten met het niveau en de prestaties van deze atleten, besluit ik toch om eens langs te gaan bij een diëtist. Het lijkt me verstandig om me eerst te laten informeren over wat verstandig is en wat niet. Want ik ken mijzelf een beetje: ik ben het type dat van de een op de andere dag overgaat op een regime van water en stengels bleekselderij om er na twee dagen achter te komen dat je je daarvan doodongelukkig voelt, knetterhonger krijgt, bloedchagrijnig wordt en duizelig in je bed ligt.

De woonwerkroute

De kennis en hulp bij het Sport Medisch Centrum in Amersfoort is vakkundig en laagdrempelig. Diëtiste Celine neemt in het eerste gesprek alle tijd. Ze wil alles van mij weten: hoe ik eet, wat ik eet, waarom ik dat doe, wanneer ik dat doe, hoeveel ik fiets, hoe ik train, wat ik doe na het trainen, waarom ik gewicht wil verliezen en hoeveel ik dan wil verliezen. Na ongeveer anderhalf uur sta ik buiten. In mijn hand een printje van de slimme weegschaal. Mijn gewicht is 94,7 kilo. Met een lengte van 1,97 meter (Vansummeren-style!) betekent dat een Body Mass Index (BMI) van 24,4. Dat is net onder de grens van 25. Daarboven heb je – op papier – overgewicht.

In mijn mailbox vind ik een dag later een uitgebreide handleiding voor mijn nieuwe eetpatroon. Vrij overzichtelijk en absoluut geen ingewikkelde recepten. Ik begin met een bak flinke kwark met wat muesli, eet tussendoor een stuk fruit, lunch met twee volkoren boterhammen of crackers, een soep en wat rauwkost of een omelet met veel groente. ’s Avonds kan ik dan gewoon warm eten, al is het devies om niet te veel koolhydraten te nuttigen. Dus vis of vlees met veel groenten en easy on de pasta, aardappels en rijst.

Zondagochtendrit met vrienden van RTV Tempo

De eerste dagen vallen me zwaar. Ik zit af te tellen naar de tussendoortjes. Als ik rond half elf aan mijn appel mag beginnen, eet ik het gehele klokhuis erbij op. En als Nieuwsuur begint, eet ik één voor één de 25 gram ongezouten nootjes op. Het is een wereld van verschil met ‘vroeger’. Toen ging er halverwege de ochtend een gevulde koek in, bestond de lunch minimaal uit een kroket of frikadel en liep ik ’s middags twee keer naar de koelkast voor een blikje échte cola. Taart van jarige collega’s sloeg ik nooit over, graag nog een tweede ‘stukje voor de smaak’ om thuis aangekomen een biertje en bij het eten een glas wijn te drinken. Dit eetpatroon was een gewoonte voor mij geworden. Ik voelde me er lange tijd prima bij. Want zo’n toastje met brie en chutney op een doordeweekse avond; waarom zou je dat nou laten staan?

Na een dikke week merk ik ineens verandering. Ineens is dat hongerige gevoel weg, zit ik niet meer naar de klok te kijken hoe lang het nog duurt tot de lunch en begin ik fitter te worden. Ik drink nog maar twee dagen in de week alcohol en merk dat ik veel beter begin te slapen. Het fietsen naar werk is even wennen: ik ben van deur tot deur iets langer onderweg en met een rugtas op fietsen is iets meer gedoe dan met een podcastje aan in de auto stappen. Maar het is het waard.

1100 lumen en volle bak naar huis

Een maand later het eerste weegmoment. Ik heb gevoel alsof ik een belangrijk tentamen moet maken: heb ik er wel genoeg aan gedaan en wat als ik straks een onvoldoende krijg? Ik ben bijna drie kilo kwijt, de teller stopt bij 91,9 kilo. BMI is gedaald naar 23,7. Met enige trots rijd ik met de auto naar huis om me gauw om te kleden. Snel de woonwerk-outfit aan – uiteraard bewaren we de mooie wielerkleding voor de échte vrije tijd – en met een klein omweggetje naar de redactie toe. Ik ben nog lang niet de Brice Feillu van Midden-Nederland, maar voel me goed!

Het is begin november als ik weer eens voor mijn kast met wielerspullen sta. De zomershirts moeten maar eens plaats gaan maken voor de overschoenen, wanten en lange broeken. In mijn handen het XXL-truitje van Pas Normal, also known as het Michelinmannetje-shirt. Zal ik het eens passen? Waarom ook niet. Niemand die het ziet, toch? Tot mijn grote verbazing past het! Het liefst zou ik meteen naar de schuur rennen, mijn De Rosa van zijn hanger tillen en een rondje door de polder stampen.

Woensdagmiddagcross

Terwijl mijn vetpercentage langzaam daalt, neemt ook mijn spiermassa af. En daar is mijn diëtiste bij het derde bezoek iets minder over te spreken. Ik moet ’s avonds in plaats van niks (jaja, het nootjes tellen is verleden tijd) toch een bakje kwark naar binnen wurmen. En to be honest, dat lukt vaker niet dan wel. Het voelt als opstaan met sushi, het smaakt als een lik sambal over je appeltaart, het is alsof je een scheut fristi door een goed glas whiskey gooit.

Met name in de tweede helft van december laat ik de teugels even vieren. Voor mijn gevoel zit ik weinig op de fiets, maar dankzij een rondje Markermeer op Derde Kerstdag zet ik toch een persoonlijk record in december neer. For what it’s worth.

201 kilometer in 7 uur en 1 minuut

Inmiddels – het is begin februari – staat de weegschaalteller op 84 kilo en heb ik een BMI van 21,6. In een maand of zes ben ik – met uitzondering van een dikke week – door gewoon ‘normaal’ te eten en ongeveer vier keer per week te woonwerkfietsen – 10 kilo kwijtgeraakt. Als ik hier in Soest en omgeving de bekende heuveltjes oprij, merk ik dat het veel en veel makkelijker gaat dan voorheen. Halverwege kan er nog een tandje bij en spring ik – als het moet – moeiteloos naar een groepje toe. Ik kan mij niet herinneren wanneer ik me zo fit heb gevoeld.

Had ik hier eerder mee moeten beginnen? Daar lijkt het – als je de eerste zin van dit stukkie leest – wel een beetje op. Maar nee, het kwam eigenlijk op het goede moment. Je moet zoiets pas in gang trekken als je er zelf klaar voor bent. Het heeft geen zin als je meer genoegen haalt uit wél een stukje taart eten dan het kunnen laten staan. Ga pas overstag als je een doel hebt, als je weet waar je het voor doet. Maar doe het wel met professionele begeleiding, die mensen hebben ervoor gestudeerd en weten hoe een lichaam werkt. Want dat is voor iedereen weer anders.

Zomeravondfietsen

Halverwege maart ga ik weer naar Calpe. De Cumbre del Sol, de Coll de Rates en de ellendige klim naar Castell de Castells. Ik ben ontzettend benieuwd naar mijn tijden vergeleken met de vorige keren. Op papier moet ik door alleen het gewichtsverlies al 1,5 kilometer per uur harder bergop rijden. We zullen zien. In ieder geval zal het kunnen dragen van dat Pas Normal-shirt mij een moraal geven van heb ik jou daar. Maar misschien wel belangrijker: ik voel me fitter en frisser dan ooit.

The Longest Day; de Zuid-Noord-lijn

Dat er ook in 2019 een Longest Day verreden zou gaan worden, dat wisten we eigenlijk al toen we in 2018 na 440 kilometer in Vlissingen arriveerden. Het is inmiddels een traditie geworden. Weliswaar eentje waarbij je verschrikkelijk af moet zien, maar ook eentje waar elke deelnemer zich het hele jaar op verheugt. Iedereen heeft zin in die ene dag, 21 juni, waarop de zon het langste schijnt. Een dag vol bikkelen en afzien, maar ook met veel pret en geluk.

Het gevloek is dan ook groot als een chirurg van het ziekenhuis in Amersfoort op 10 mei tegen mij zegt dat ik het fietsen wel kan vergeten voor de komende vijf à zes weken. Als ik anderhalve week later ook nog eens te horen krijgt dat ik mij vooral op de Longest Day van 2020 moet richten, is de wereld even te klein. Het advies van dr. Van Olden kan ik moeilijk negeren. Hij is naast arts in Amersfoort ook de ploegarts van wielerploeg Jumbo-Visma en heeft er dus wel enig verstand van. Normaal hang ik aan de lippen bij mensen uit de wielerwereld, nu vind ik zijn verhaal verschrikkelijk.

Wil je meer The Longest Day? Dat kan! De verslagen van 2017 en 2018 staan ook online.

Ik zet voor mijzelf de deur nog op een kier. Maar als ik een week voor The Longest Day nog geen 440 centimeter kan fietsen, hak ik de knoop door. Voor mij geen mooiste wielerdag van het jaar. Althans, niet op de fiets, maar wel in de ploegleiderswagen. Chauffeur, verzorger en ploegleider ineen. Dan er in de Volkswagen Transporter van schoonvader Evert maar een mooie dag van maken en de heren coureurs maar bien soignés op pad sturen.

Het startschot valt om 04.10 uur op de Bosschstraat in Maastricht. In het halfuur daarvoor stouwt iedereen zich vol met bananen, yoghurt, reepjes en broodjes kaas. Slingerend tussen de studenten door zetten elf man koers richting het noorden, richting Winschoten. Op straat is het nog druk, veel studenten komen net de kroeg uit en beginnen spontaan te applaudisseren als er een in het wit gestoken pelotonnetje zich in gang trekt op weg naar Winschoten, 430 kilometer verderop.

Het begin is lastig, veel kronkelweggetjes in het zuiden van Limburg. En als anderhalf uur later de zon recht in het gezicht van renners en ploegleiding gaat schijnen, is het lastig om te zien waar de weg begint en ophoudt. De zon klimt gelukkig langzaam hoger aan de hemel en de wegen beginnen zich meer en meer aan de oevers van de Maas te houden. In Blitterswijck zwaaien we zogenaamd naar Wout Poels, in Afferden plakken we een band (de eerste in drie jaar!) en al gauw zijn we in Groesbeek waar we in een gastronomische hemel belanden: de ouders van Rick hebben een tafel vol met koude cola, hete koffie en gigantische stukken taart voor ons neergezet.

Iedereen voelt zich nog goed. Herman is op dat moment al tevreden met de eerste 140 kilometer. “Ik heb het hele jaar nog niet zo ver gereden”, zegt hij koeltjes. Dertig minuten later zetten elf verschillende merken frames (toch bijzonder, niet?) koers richting Millingen aan de Rijn, er wordt gereden door een prachtig natuurgebied ten zuidoosten van Nijmegen. Bossen met heuvels en prachtige polders waarvan de ploegleiding weinig meemaakt. Omdat het pontje niet toegankelijk is voor auto’s, racen wij via de snelweg richting Zeddam, voor alweer een koffie op het terras.

Oostwaarts, richting de Achterhoek. En met de wind – die inmiddels uit het westen is gaan blazen – in de rug, gaat het met een gangetje van 40 kilometer per uur naar de volgende stop: Winterswijk. In de auto worden er inmiddels wielerquizjes gespeeld, collega’s geïmiteerd en verhalen uit de oude NOS-doos gehaald. Never a dull moment als je met Han en Pascal op pad bent.

Halverwege de dag kijkt rookie Rob Harmeling nog even fit uit zijn ogen als die ochtend. Hij vindt het een ‘machtige dag’ en is blij met de honderd kilometer die hij de dag daarvoor nog heeft gereden. En dat terwijl hij ons voorafgaand in de appgroep nog bang heeft gemaakt met opmerkingen als ‘trainen is voor talentlozen’. De verbazing is nog groter als Rob na dik 300 kilometer opbiecht dat zijn wekker straks om 07.00u gaat. “Even een clinic geven”, zegt hij met een grote glimlach van oor tot oor. Als hij de dag later een foto stuurt, geloven we het pas echt.

In de Achterhoek en in Twente is het prachtig fietsen. De wegen zijn goed, maar er moet vanwege het hoge bebouwdekomontwijkengehalte goed op de navigatie gekeken worden. Belangrijk is daarbij ook dat er niet per ongeluk een verkeerde afslag genomen wordt en het pelotonnetje in Duitsland belandt. Doel van deze editie is immers: zo dicht mogelijk bij de grens blijven, maar nooit erover. Eén keer gaat het mis en rijden we voor twintig meter in Duitsland. Niemand die er wakker van ligt.

In Gramsbergen worden we feestelijk onthaald. De ploegleiding regelt een half uur voor aankomst van de renners dat er een grote plaat met tosti’s klaarstaat. Zelf nemen we een tripel, een witbier en een gewone. Verschil moet er zijn, toch? De gasten op het terras wilden graag weten wat we in hemelsnaam aan het doen zijn en hoe we in Gramsbergen terechtkomen. De bediening is alleraardigst en zorgt ervoor dat we gauw weer kunnen vertrekken. Winschoten is nog 90 kilometer ver. De schaamte in de auto is dan ook groot als we er even later achterkomen dat we vergeten zijn te betalen. Langs het Coeverderkanaal scheuren we met het schaamrood op de kaken terug.

Ter Apel blijkt het langste en dunste dorp ter wereld. Althans, dat is de mening in de wagen. Aan weerszijden van het water een rij huizen en daarachter niks. Even later, in Jipsingboermussel, ploft het peloton nog eventjes neer. Cola’s verdwijnen als sneeuw voor de zon in de dorstige kelen. Sommigen vallen bijna in slaap. Maar het einde is in zicht. Winschoten doemt op aan de Groningse horizon.

Als we rond half tien aankomen in Winschoten, schiet sportfotograaf Joris Knapen zijn laatste foto’s. Hij is praktisch de gehele dag met ons meegereden en heeft onderweg de meest fraaie foto’s van ons gemaakt. “Ik had toch niets te doen vandaag”, zegt hij droogjes. Wij zijn hem eeuwig dankbaar voor hoe hij deze dag zeer professioneel heeft vastgelegd. Nadat hij onze omhelzingen heeft vastgelegd,  springt iedereen onder de douche.

Achttien bittergarnituur en veel speciaalbier later is de sfeer in de hotelbar opperbest. Zelfs de opgelopen irritaties door de eikenprocessierups kunnen het plezier niet bederven. The Longest Day 2019 was een feest, net als die van 2018 en 2017. Zelfs de plannen voor 2020 worden – eerder dan normaal – door ondergetekende ontvouwd. En hoewel iedereen doodmoe is, wordt de route met gejuich ontvangen. Ik kan niet wachten tot het zover is. Een dag in de auto is hartstikke prima en gezellig, maar ik wil het graag bij deze ene keer laten.

Grote dank aan 36 Cycling die ons voorzien heeft van shirt, broek, windjack en sokken. Dikke kudos voor Studio nulelfzeven voor het helpen bij het ontwerpen van die o zo fraaie wielerkleding. Hieperdepiep hoera voor MIR Sportsmarketing dat ons overladen heeft met reepjes, gelletjes en bidons. Props voor Hooijer Vuurwerk voor het beschikbaar stellen van zijn ploegleidersbus. Ultiem tof hoe Sjoerd voor ons een heerlijke pasta in elkaar heeft gedraaid. Als laatste een dankwoord voor de ouders van Rick in Groesbeek en Arjan en Marlies in Winterswijk voor het openstellen van hun huis voor elf hongerige en zweterige wielrenners. 

En voor de liefhebber is de route ook te downloaden.  

Laatste keer Rondje IJsselmeer. Rij je mee?

Op 1 april gaat de Afsluitdijk voor drie jaar dicht. Nee, dat is geen 1-aprilgrap, maar helaas de bittere realiteit. Om nog een keer te genieten van de prachtige saaiheid van de Dijk der Dijken, rijd ik op zondag 31 maart een Rondje IJsselmeer van +/- 270 kilometer. Wil je mee? Gezellig. Hieronder wat informatie.

  • Pelotonnetje zal om 07.00u vanuit Muiden vertrekken, vanaf de o zo gezellige P1-parkeerplaats (zie onderstaand kaartje). Het is daar gratis parkeren, het is goed bereikbaar per auto (en fiets) en het ligt praktisch aan het parcours. We proberen om uiterlijk 17.00u in Muiden terug te zijn. 
  • Het lijkt erop dat de wind uit het noorden en/of noordoosten zal komen. Dat betekent dat we het rondje tegen de klok in zullen rijden. Dus via Flevoland, Friesland naar de Afsluitdijk. Via Noord-Holland retour. Mocht de wind toch van richting veranderen, kan de rijrichting nog worden aangepast.
  • We rijden self supporting. Dat houdt in dat er geen volgwagen met bidonnen, banden en reservefietsen meerijdt. Alles wat je onderweg nodig dient te hebben, moet je zelf (eventueel in een klein rugzakje) meenemen. Denk aan genoeg binnenbanden, eten, geld en eventueel een OV-chipkaart.
  • Het gemiddelde zal rond de 30 km/u liggen. Misschien iets langzamer, misschien iets sneller. We houden rekening met elkaar, maar we zullen doorrijden als mensen het normale tempo niet meer fatsoenlijk kunnen volgen.
  • Lek? Dat kan gebeuren. We zullen elkaar helpen en op elkaar wachten. Bij grote problemen zoals gebroken wielen, rijden we in principe door. Mocht het aantal lekke banden nou drastisch toenemen en dit voor dermate vertraging en irritatie gaat zorgen, is het onontkoombaar dat er mensen zullen beslissen om door te rijden. Dit is helaas, zo leert de ervaring, niet te voorkomen.
  • Er wordt één of twee keer gestopt. Dit is geen moment voor een driegangenlunch, maar een moment om bij hoogstwaarschijnlijk een pompstation of bescheiden lunchtent een broodje en koffie te nuttigen. Dit alles voor eigen rekening. 

  • Wordt het aantal deelnemers te groot, dan gaan we eventueel over tot het formeren van twee pelotonnetjes.